Fiona Huisman.
 Kleine Reisjes en andere verhalen.
© 2019 Fiona Huisman

In de krant

Grote waternavel. De Grote waternavel is een zeer snel groeiende waterplant. Deze ‘invasieve exoot’ heeft al een tijdje zijn intrek genomen in het Leekstermeer, maar neemt de laatste tijd enorm toe. Staatsbosbeheer probeert bij wijze van proef de plant te bestrijden en ik mocht met vrijwilligers Jan van Dijk, Ed Nijhof, Jaap Bergsma en stagiair Jeroen van Werven mee het water op, om eens te beleven hoe zoiets precies gaat. ‘Eigenlijk is het meer in de hand houden dan bestrijden,’ vertelt Ed, terwijl hij de fluisterboot bij Cnossen te water laat. ‘De plant kan, als het rond de 25 graden is, wel 20 centimeter per dag groeien. Hij is hier ooit als sierplant naar toe gehaald en wordt nu een echte plaag.’ Hij deelt waadpakken uit en ik krijg er ook eentje. Ook krijg ik een potje garagezeep in handen gedrukt, ‘om je handen weer mee schoon te krijgen, want dat is altijd een hele klus.’ Ik neem in stilte afscheid van mijn keurige manicure en stap de boot in. Op weg naar de waternavel varen we langs de dumpplek, een stukje land waar de oogst van eerder deze week op ligt. We hoeven niet ver te varen, het probleem wordt snel duidelijk. ‘Vorige week was dit hele stuk schoon, nu zijn we terug bij af.’ Ed wijst naar een groot veld waterplanten dat rond een eiland riet in het water drijft. ‘Als we er niks aan zouden doen, zou binnen een mum van tijd het hele Leekstermeer dichtgegroeid zijn.’ Jan vertelt dat elk stukje waternavel dat blijft liggen, weer een nieuwe plant wordt. ‘Hij is dus niet volledig te bestrijden met de hand, omdat er altijd worteltjes blijven drijven. En het is te ondiep hier voor machines.’ Bij het drijvende veld aangekomen stappen de mannen uit de boot, het water komt nog niet tot hun knieën. Voor ik enthousiast uit de boot wil springen word ik gewaarschuwd door Jan: ‘Pas op, het lijkt ondiep, maar er zitten diepe sloten en voor je het weet sta je tot de oksels onder water!’ Jeroen demonstreert dat door bijna languit in het water te vallen als hij in een greppel stapt. Dat verklaart de waadpakken. Wat de waadpakken nog meer verklaart ontdek ik snel: waternavel uit het water trekken is een vies klusje. Zwarte modder dat aan de wortels blijft hangen vliegt in het rond en al snel zitten we allemaal onder de zwarte spetters en onze armen zijn tot aan de ellebogen met modder bedekt. Omdat we voorover gebogen staan is het zwaar werk, maar de sfeer is erg goed en de grappen vliegen al snel over het water. Ik vraag Jaap hoe oud hij is. ‘Ik hoop binnenkort 83 te worden,’ zegt hij en daar ben ik flink van onder de indruk, het is aan zijn harde werken niet te zien. We gooien de planten in de boot, die, als hij vol is, al wadend naar de dumpplek moet worden geduwd. Hij ligt zo diep dat hij af en toe de bodem raakt. Ed en Jaap nemen de eerste beurt op zich en terwijl we de mannen nakijken zien we Jaap opeens tot aan zijn borst in het water verdwijnen. ‘Een sloot,’ verklaart Jan droogjes. We werken stevig door tot aan de middagpauze en dan nemen we afscheid. Ik heb genoten van deze ochtend en ik heb respect voor het werk dat deze mannen verrichten. Het is zwaar en vies, er is weinig resultaat te behalen, maar het is nodig. En daarom doen ze het.
Kleine Reisjes en andere verhalen
Fiona Huisman
© 2019 Fiona Huisman

In de krant

Grote waternavel. De Grote waternavel is een zeer snel groeiende waterplant. Deze ‘invasieve exoot’ heeft al een tijdje zijn intrek genomen in het Leekstermeer, maar neemt de laatste tijd enorm toe. Staatsbosbeheer probeert bij wijze van proef de plant te bestrijden en ik mocht met vrijwilligers Jan van Dijk, Ed Nijhof, Jaap Bergsma en stagiair Jeroen van Werven mee het water op, om eens te beleven hoe zoiets precies gaat. ‘Eigenlijk is het meer in de hand houden dan bestrijden,’ vertelt Ed, terwijl hij de fluisterboot bij Cnossen te water laat. ‘De plant kan, als het rond de 25 graden is, wel 20 centimeter per dag groeien. Hij is hier ooit als sierplant naar toe gehaald en wordt nu een echte plaag.’ Hij deelt waadpakken uit en ik krijg er ook eentje. Ook krijg ik een potje garagezeep in handen gedrukt, ‘om je handen weer mee schoon te krijgen, want dat is altijd een hele klus.’ Ik neem in stilte afscheid van mijn keurige manicure en stap de boot in. Op weg naar de waternavel varen we langs de dumpplek, een stukje land waar de oogst van eerder deze week op ligt. We hoeven niet ver te varen, het probleem wordt snel duidelijk. ‘Vorige week was dit hele stuk schoon, nu zijn we terug bij af.’ Ed wijst naar een groot veld waterplanten dat rond een eiland riet in het water drijft. ‘Als we er niks aan zouden doen, zou binnen een mum van tijd het hele Leekstermeer dichtgegroeid zijn.’ Jan vertelt dat elk stukje waternavel dat blijft liggen, weer een nieuwe plant wordt. ‘Hij is dus niet volledig te bestrijden met de hand, omdat er altijd worteltjes blijven drijven. En het is te ondiep hier voor machines.’ Bij het drijvende veld aangekomen stappen de mannen uit de boot, het water komt nog niet tot hun knieën. Voor ik enthousiast uit de boot wil springen word ik gewaarschuwd door Jan: ‘Pas op, het lijkt ondiep, maar er zitten diepe sloten en voor je het weet sta je tot de oksels onder water!’ Jeroen demonstreert dat door bijna languit in het water te vallen als hij in een greppel stapt. Dat verklaart de waadpakken. Wat de waadpakken nog meer verklaart ontdek ik snel: waternavel uit het water trekken is een vies klusje. Zwarte modder dat aan de wortels blijft hangen vliegt in het rond en al snel zitten we allemaal onder de zwarte spetters en onze armen zijn tot aan de ellebogen met modder bedekt. Omdat we voorover gebogen staan is het zwaar werk, maar de sfeer is erg goed en de grappen vliegen al snel over het water. Ik vraag Jaap hoe oud hij is. ‘Ik hoop binnenkort 83 te worden,’ zegt hij en daar ben ik flink van onder de indruk, het is aan zijn harde werken niet te zien. We gooien de planten in de boot, die, als hij vol is, al wadend naar de dumpplek moet worden geduwd. Hij ligt zo diep dat hij af en toe de bodem raakt. Ed en Jaap nemen de eerste beurt op zich en terwijl we de mannen nakijken zien we Jaap opeens tot aan zijn borst in het water verdwijnen. ‘Een sloot,’ verklaart Jan droogjes. We werken stevig door tot aan de middagpauze en dan nemen we afscheid. Ik heb genoten van deze ochtend en ik heb respect voor het werk dat deze mannen verrichten. Het is zwaar en vies, er is weinig resultaat te behalen, maar het is nodig. En daarom doen ze het.